Kanovaren werd in de jaren twintig steeds populairder. In 1932 ontstonden aan de Kralingse Plas drie verenigingen: Kralingse Cano Vrienden (KCV), Rotterdamse Cano Club (RCC) en Kralingsche Cano Club (KCC) Never Dry. Door de aanleg van het Kralingse Bos moesten zij in 1935 verhuizen naar de Kralingse Plaslaan. Daar bouwden RCC en Never Dry met hulp van hun leden de houten clubhuizen die nog altijd bestaan.
De Tweede Wereldoorlog legde het verenigingsleven grotendeels stil. Kano’s werden gevorderd en de Kralingse Plas werd spergebied. Na de oorlog hadden beide clubs het moeilijk en daalde het ledenaantal sterk. Pas in de jaren zestig bloeide het kanovaren weer op.
In de decennia daarna ontwikkelden de clubs ieder hun eigen karakter. RCC richtte zich steeds meer op wedstrijdsport, met disciplines als marathon, slalom en kanopolo. Never Dry koos juist vaker voor toer- en zeekajakvaren, met de nadruk op meerdaagse tochten en veiligheid op groot water.
Een belangrijk moment was de introductie van de RCC-marathon in 1988 door Sjef Schlappi en Ot Mellema. Deze wedstrijd groeide uit tot een van de bekendste kano-evenementen van Nederland.
Hoewel RCC en Never Dry jarenlang naast elkaar bestonden, werkten ze vaak samen. De wens om te fuseren leefde al sinds de jaren negentig. Uiteindelijk werden de twee verenigingen in 2022 samengevoegd tot Kano Club Rotterdam: één club met een rijke geschiedenis in zowel wedstrijd- als toervaren.

Kralingsche Plaslaan, bij het clubhuis
van Never Dry en RCC. 1937

Circa 1968, voor het clubhuis.

Twee deuren maar één club